ECLI:NL:RVS:2007:BA9875
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak over rechtmatigheid binnentreden woning zonder toestemming
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage waarin het beroep van een vreemdeling tegen zijn vreemdelingenbewaring werd gegrond verklaard en de maatregel werd opgeheven.
De kern van het geschil betreft de rechtmatigheid van het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner door opsporingsambtenaren. De rechtbank had geoordeeld dat niet kon worden vastgesteld of het binnentreden conform artikel 8, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) had plaatsgevonden, omdat niet duidelijk was wie de andere opsporingsambtenaren waren die de twee in de machtiging genoemde ambtenaren vergezelden.
De Raad van State oordeelt dat artikel 10, tweede lid, Awbi niet vereist dat in het verslag de namen van degenen die het binnentreden hebben begeleid worden vermeld, slechts het aantal en de hoedanigheid. De rechtbank heeft daardoor een onjuiste maatstaf gehanteerd bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het binnentreden.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor behandeling en beslissing met inachtneming van deze overwegingen. Tevens stelt de Raad de proceskosten vast en bepaalt dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.