Uitspraak
200206439/1, dient bij de bepaling van de stankcirkel voor de uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aan te houden afstand, als meetpunt in beginsel de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf te gelden, aangezien binnen het gehele bouwvlak bedrijfsbebouwing tot stand kan komen waarin hinderveroorzakende activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit leidt uitzondering indien uitbreiding van de agrarische bedrijfsbebouwing feitelijk niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat bestaande stankgevoelige functies in de omgeving van het bouwvlak daaraan reeds in de weg staan. In een dergelijke situatie dient de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing als meetpunt te worden genomen voor de bepaling van de stankcirkel. Ter zitting is gebleken dat vanwege de ligging van de agrarische bedrijfsbebouwing nabij bestaande burgerwoningen, uitbreiding van de agrarische bedrijfsbebouwing niet mogelijk is. Gelet hierop had bij de bepaling van de stankcirkel van het bedrijf van [appellante sub 1] als meetpunt moeten worden genomen het dichtst bij het plangebied gelegen punt van de voorgevel van het het dichtst bij het plangebied gelegen bedrijfsgebouw. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit de ter zitting getoonde gewaarmerkte tekeningen, die behoren bij de geldende milieuvergunning van [appellante sub 1], in dat bedrijfsgebouw vleesstieren en schapen mogen worden gehouden. Verweerder heeft dit bij het bestreden besluit miskend en is derhalve uitgegaan van een onjuiste bepaling van de stankcirkel.