Uitspraak
200410097/1 en 200410097/2(AB 2005, 275) dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de beslissingen op bezwaar van 20 oktober 2005 en 3 en 7 november 2005 onvoldoende zijn gemotiveerd, nu de gemeenteraden en het college zijn afgeweken van de in het advies van de gezamenlijke bezwaarcommissie (hierna: de commissie) genoemde afbouwtermijn van één jaar.
200202190/1(AB 2003, 172) volgt dat artikel 4:51, eerste lid, van de Awb in beginsel niet zover strekt dat op het subsidiërend orgaan de plicht rust een garantie te verstrekken voor wachtgeldverplichtingen die voortvloeien uit de beëindiging van de subsidierelatie. Dit zou anders kunnen zijn indien de subsidieverstrekker invloed heeft gehad op de aanstelling van personeel en daarmee de verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de wachtgeldverplichtingen. Nu appellante, zoals ter zitting desgevraagd door haar is verklaard, niet in opdracht van de betrokken gemeenten, doch zelf haar personeel aanstelde, is de rechtbank met juistheid tot het oordeel gekomen dat de gemeenteraden en het college in redelijkheid hebben kunnen afzien van het verstrekken van garanties voor wachtgeldverplichtingen van appellante.