Uitspraak
200500107/1, was het gebruik van het perceel ten behoeve van permanente bewoning ook in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan "Horsterwold". Er bestaat thans geen grond voor een ander oordeel.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde legde appellanten een last onder dwangsom op om de permanente bewoning van hun recreatiewoning te staken. Appellanten maakten bezwaar en gingen in beroep tegen dit besluit, stellende dat het bestemmingsplan waarop het besluit was gebaseerd nog niet in werking was getreden en dat zij hun hoofdverblijf elders hadden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestemmingsplan "Recreatieterrein Horsterwold 2003" ten tijde van het besluit wel degelijk van kracht was, omdat het na afloop van de beroepstermijn was goedgekeurd en in werking was getreden.
Verder stelde de Afdeling vast dat het college voldoende feiten had vastgesteld die het vermoeden van permanente bewoning rechtvaardigden, zoals inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, aanwezigheid van persoonlijke spullen en frequente aanwezigheid van de auto. Het betoog van appellanten dat zij hun hoofdverblijf in Spanje hadden, werd buiten beschouwing gelaten omdat dit niet eerder was aangevoerd.
De Afdeling bevestigde dat het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf in strijd was met het bestemmingsplan en dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving van het verbod op permanente bewoning bevestigd.