Uitspraak
200603105/1, behoort aan het overgangsrecht niet ambtshalve te worden getoetst, aangezien de vraag naar de toepasselijkheid daarvan niet kan worden aangemerkt als een kwestie van openbare orde.
Raad van State
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid legde aan een wederpartij een dwangsom op om een uitbreiding van een bouwwerk in de achtertuin van een pand in Amsterdam te verwijderen. De wederpartij had zonder vergunning een berging gebouwd rond 1989/1990 en deze in 2000 uitgebreid. Het bestemmingsplan stelde beperkingen aan de grootte en hoogte van bouwwerken op die locatie.
De rechtbank oordeelde in 2003 dat het gedeelte van de berging dat vóór de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan in 1992 was gebouwd onder het overgangsrecht viel, waardoor het bouwwerk mocht blijven staan. Het dagelijks bestuur stelde later dat de peildatum van het moederplan uit 1983 moest gelden, waardoor het bouwwerk niet onder het overgangsrecht viel. Dit leidde tot nieuwe besluiten en procedures.
De Raad van State oordeelt dat het dagelijks bestuur onterecht van het overgangsrecht is afgeweken zonder hoger beroep tegen de eerdere uitspraak. Het overgangsrecht behoort niet ambtshalve te worden getoetst. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt bevestigd. Tevens wordt het bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartij.
Uitkomst: Het hoger beroep van het dagelijks bestuur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.