Uitspraak
200602308/1, AB 2007, 95).
Raad van State
Bij besluit van 24 augustus 2006 verleende het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren een milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij aan een locatie te Echt-Susteren. Appellante sub 1 en appellant sub 2 stelden tegen dit besluit beroep in bij de Raad van State.
Appellante sub 1 werd niet als belanghebbende erkend omdat haar financiële betrokkenheid bij een nabijgelegen bedrijf een afgeleid en geen rechtstreeks belang vormde. Hierdoor werd haar beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant sub 2 voerde aan dat de nieuwe en bestaande veehouderijen als één inrichting moesten worden beschouwd en dat de vergunning onaanvaardbare stankhinder zou veroorzaken, mede door een geplande woning in de nabijheid. De Raad oordeelde dat de veehouderijen niet als één inrichting konden worden aangemerkt vanwege de afstand en het ontbreken van binding. Tevens werd geoordeeld dat de geplande woning geen redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling was en dat de beoordeling van de stankhinder conform richtlijnen correct was uitgevoerd. Het beroep van appellant sub 2 werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 juni 2007.
Uitkomst: Het beroep van appellante sub 1 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellant sub 2 ongegrond.