Uitspraak
200202030/1, valt er geen wettelijke bepaling aan te wijzen die verweerder daartoe verplicht, verplichten de planvoorschriften daartoe evenmin en moet een hoorplicht alleen aangenomen worden indien bijzondere omstandigheden daartoe, uit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming, aanleiding geven. De door appellanten naar voren gebrachte omstandigheid dat vele omwonenden zich reeds bij eerdere procedures hebben verzet tegen het plan, kan niet als een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin aangemerkt worden. Bezwaren die anderen tegen het plan hebben ingediend zijn niet van betekenis voor een goed begrip van de zienswijzen die appellanten tegen het plan hebben ingediend. Ook de door appellanten gestelde magere onderbouwing van het plan stond in dit geval niet aan een goed begrip van de zienswijzen van appellanten in de weg. De stelling van appellanten dat het wijzigingsplan gebaseerd is op evident onjuiste aannames, hoefde in dit geval verweerder er niet toe te brengen hen te horen. Verweerder mocht zich reeds voldoende geïnformeerd achten, nu appellanten niet alleen zienswijzen hebben ingediend, maar ook eerder mondeling hun standpunt naar voren hebben gebracht op de informatiebijeenkomst van 25 april 2002, waarvan een verslag is gemaakt.