ECLI:NL:RVS:2007:BA6588
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitspraak over tijdige beslissing verblijfsvergunning en schadevergoeding
Appellante, een Hongaarse onderdaan, diende op 2 oktober 2002 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking het verrichten van zelfstandig arbeid. De wet schrijft voor dat binnen zes maanden op deze aanvraag moet worden beslist. De minister verleende de vergunning op 20 januari 2003, binnen de wettelijke termijn. Appellante stelde dat op grond van het gemeenschapsrecht en jurisprudentie van het HvJEG onverwijld op haar aanvraag had moeten worden beslist, hetgeen de rechtbank en de Raad van State niet volgden.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het recht op vestiging en zelfstandige arbeid, ontleend aan de Europa-overeenkomst met Hongarije, niet absoluut is en dat de nationale wetgeving en procedures mogen worden toegepast, mits deze de rechten niet tenietdoen of onaanvaardbaar beperken. De minister handelde niet onrechtmatig door binnen de zes maanden te beslissen en niet onverwijld.
Voorts werd het beroep van appellante op vergoeding van kosten van rechtsbijstand afgewezen, omdat geen onrechtmatig handelen van de minister was vastgesteld. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.