ECLI:NL:RVS:2007:BA5592

Raad van State

Datum uitspraak
9 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200701433/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • B. van Wagtendonk
  • D. Roemers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 EVRMArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel

Appellant stelde beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant reeds ongewenst was verklaard en daardoor geen belang had bij het beroep tegen intrekking van de vergunning.

Appellant voerde aan dat verdragsrechtelijke verplichtingen hem toch ontvankelijk moesten verklaren, met name op grond van schending van de artikelen 3 en 8 EVRM. De Raad van State oordeelde dat appellant deze schendingen in procedures tegen de ongewenstverklaring of de weigering deze op te heffen kan aanvoeren, waar rechtsmiddelen openstaan die rechtsherstel kunnen bieden.

De Raad van State concludeerde dat er geen sprake is van onthouding van een effectief rechtsmiddel en dus geen schending van artikel 13 EVRM Pro. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.

Uitspraak

200701433/1.
Datum uitspraak: 9 mei 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/42490 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 26 januari 2007 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 januari 2007, verzonden op 29 januari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 9 maart 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2006 in zaak no. 200510434/1 en van 26 juli 2006 in zaak no. 200601808/1 heeft overwogen dat, nu hij bij besluit van 1 augustus 2006 ongewenst is verklaard en dat besluit nog niet is vernietigd of ingetrokken, hij geen belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Daartoe betoogt appellant dat de rechtbank aldus ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over zijn betoog dat verdragsrechtelijke verplichtingen ertoe nopen dat hij, ondanks de jurisprudentie van de Afdeling, in beroep moet worden ontvangen.
2.1.1. Hoewel de rechtbank ten onrechte geen oordeel over dat betoog heeft gegeven, leidt dat niet tot het met de grief beoogde doel, nu appellant de gestelde schending van de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) desgewenst in de procedure tegen de ongewenstverklaring of in een procedure tegen de eventuele weigering om haar op te heffen naar voren kan brengen. Tegen een beslissing in deze procedures staan rechtsmiddelen open die de mogelijkheid tot rechtsherstel bieden. Van onthouding aan appellant van een effectief rechtsmiddel en derhalve van schending van artikel 13 van Pro het EVRM is reeds daarom geen sprake.
De grief faalt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. Hazen
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007
452
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak