ECLI:NL:RVS:2007:BA5568
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering verblijfsvergunning wegens ongewenstverklaring
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit beroep werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant bij besluit van 24 mei 2006 ongewenst was verklaard. Op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 kan een ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben.
Appellant voerde aan dat bij terugkeer naar Georgië een behandeling wacht die in strijd is met artikel 3 EVRM Pro, maar de Raad van State oordeelde dat appellant dit verweer in de procedure tegen de ongewenstverklaring of tegen de weigering om deze op te heffen kan aanvoeren. Hierdoor is het beroep tegen de verblijfsweigering niet-ontvankelijk.
Het hoger beroep van appellant bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep als kennelijk ongegrond verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.