ECLI:NL:RVS:2007:BA4144

Raad van State

Datum uitspraak
25 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200702134/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning parkeerkelder en appartementen in Lisse

Het college van burgemeester en wethouders van Lisse verleende op 15 maart 2005 aan Triumvir Lisa B.V. een vrijstelling en bouwvergunning voor het realiseren van een parkeerkelder, winkelstrook en 43 appartementen op een perceel in Lisse. Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en de voorzieningenrechter werd afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep van verzoekers gegrond en vernietigde het besluit van het college wegens onvoldoende ruimtelijke onderbouwing.

Naar aanleiding hiervan stelde het college een nieuw beleidsstuk op, het 'Ruimtelijk Kader Centrumvisie 2006', dat door de gemeenteraad werd vastgesteld. Tevens werd een nieuwe ruimtelijke onderbouwing opgesteld waarin werd toegelicht hoe het bouwplan binnen de voorgestane ontwikkeling past. De Voorzitter oordeelde voorlopig dat het gebrek dat eerder tot vernietiging leidde, niet meer aanwezig is en dat de ruimtelijke onderbouwing nu voldoende is.

Verzoekers voerden geen nieuwe gronden aan die aanleiding geven te verwachten dat de vergunning alsnog onrechtmatig zal blijken. De Voorzitter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en benadrukte dat vergunninghoudster op eigen risico bouwactiviteiten verricht voordat de vergunning definitief is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200702134/2.
Datum uitspraak: 25 april 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 07/37 en 07/42 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 februari 2007 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van Lisse.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Triumvir Lisa B.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een parkeerkelder, een winkelstrook en 43 appartementen op het perceel, plaatselijk bekend Heereweg 184 t/m 188/Berkhoutlaan 2 t/m 2E te Lisse.
Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het college het door verzoekers daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 augustus 2005, verzonden op 24 augustus 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, in zaak no.
200507780/1, heeft de Afdeling het daartegen door verzoekers ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 juni 2005 vernietigd.
Bij besluit van 20 november 2006 heeft het college, opnieuw beslissend op het bezwaar van verzoekers, dat bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 februari 2007, verzonden op 16 februari 2007, heeft de voorzieningenrechter het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 22 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2007, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 22 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2007, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 april 2007, waar verzoekers, namens wie [gemachtigde] het woord heeft gevoerd, en het college, vertegenwoordigd door D. Haak en G.Bruggeman, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar ir. G.J.G. Bokelman, werkzaam bij stedenbouwkundig bureau RBOI, en vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A.R.M. van der Pluijm, advocaat te Leiden, gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    In de uitspraak van 12 juli 2006 in zaak no.
200507780/1heeft de Afdeling onder meer overwogen dat het college de vrijstelling niet heeft voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing nu, gegeven de ernst van de ruimtelijke ingreep en de aanzienlijke afwijking van de betrekkelijk recente indicatieve ideeënschets in de door de gemeenteraad vastgestelde "Centrumvisie Lisse 2002", onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat de door het gemeentebestuur voorgestane ruimtelijke ontwikkeling van het centrumgebied en de wijze van bebouwing daarvan behelst en hoe het aan de orde zijnde bouwplan in die voorgestane ontwikkeling past.
Naar aanleiding van voormelde uitspraak is in opdracht van het college het "Ruimtelijk Kader Centrumvisie 2006" opgesteld, welk beleidsstuk door de gemeenteraad is vastgesteld op 26 oktober 2006. Dit beleidsstuk bevat de stedenbouwkundige visie van de gemeente op de voorgestane ontwikkeling van het centrumgebied. Voorts is een nieuwe ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waarin is weergegeven op welke wijze het bouwplan hier binnen past. Naar voorlopig oordeel kan niet worden gezegd dat het gebrek in de besluitvorming met betrekking tot het bouwplan, dat aanleiding vormde voor vernietiging door de Afdeling van het besluit van 7 juni 2005, zich thans nog voordoet. De ruimtelijke onderbouwing is, gegeven de beoordelingsruimte van de gemeenteraad bij de vaststelling van het ruimtelijk beleid dat daarbij een kader vormt, naar voorlopig oordeel thans voldoende te achten. Naar voorlopig oordeel is voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het bouwplan past in de voorgestane ontwikkeling. Daarbij is van belang, dat de keuze voor de afwijking van vooral de hoogte van de bebouwing ten opzichte van de bebouwing in de directe omgeving thans voldoende inzichtelijk is gemotiveerd. De keuze zelf vergt daarbij vooral een politiek bestuurlijke afweging waarvoor het college en de gemeenteraad verantwoordelijk zijn en die in rechte slechts afstandelijk kan worden getoetst.
2.3.    Hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd, geeft op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en bouwvergunning eerste fase niet mochten worden verleend. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij wordt ten slotte overwogen dat vergunninghoudster, door bouwwerkzaamheden te verrichten voordat definitief is komen vast te staan dat de vergunning in stand blijft, op eigen risico handelt.
2.4.    Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak          w.g. Hanrath
Voorzitter          ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007
392