ECLI:NL:RVS:2007:BA3908
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting
De vreemdeling werd op 17 februari 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, oordeelde op 7 maart 2007 dat er geen zicht op uitzetting bestond en hief de bewaring op, waarbij tevens schadevergoeding werd toegekend.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat er concrete aanknopingspunten waren, namelijk een bericht van de Chinese autoriteiten dat geen laissez-passer wordt afgegeven vanwege onjuiste gegevens van de vreemdeling. Dit vormde een voldoende grond voor onderzoek naar zicht op uitzetting.
De vreemdeling had bovendien bevestigd bij de rechtbank dat zij bij de nieuwe aanvraag dezelfde persoonsgegevens had verstrekt als bij de eerste, wat wijst op onvoldoende medewerking. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen schadevergoeding toegekend en er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 19 april 2007.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.