Uitspraak
200206222/1(AB 2003, 355) van oordeel dat in deze procedure van de juistheid van dit oordeel moet worden uitgegaan.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 27 september 2002 een bouwvergunning en vrijstelling voor een dakopbouw op een woning in Den Haag. Tegen dit besluit maakten twee wederpartijen bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde de beroepen van de wederpartijen gegrond en vernietigde het besluit, waarna het college en appellant sub 2 hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de Stichting "Zand(er)over" als partij had toegelaten en dat de rechtbank onterecht had geoordeeld dat het college geen rekening had gehouden met de aanwijzing van Scheveningen-Dorp als beschermd stadsgezicht. De Afdeling bevestigde dat deze aanwijzing meegewogen moest worden bij de heroverweging van het besluit.
Verder stelde de Raad van State vast dat de rechtbank onterecht had geoordeeld dat de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd was. Het college had de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid en de welstand voldoende onderbouwd met een rapport van de afdeling Ruimtelijke Ordening/Monumentenzorg en een welstandsadvies, waarin werd aangegeven dat de dakopbouw binnen de contouren van het bestemmingsplan bleef en voldeed aan redelijke eisen van welstand.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde de hoger beroepen gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de wederpartijen ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd omdat het besluit rechtmatig was.
Uitkomst: De beroepen van de wederpartijen tegen het besluit tot verlening van de bouwvergunning worden ongegrond verklaard.