ECLI:NL:RVS:2007:BA2996
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens westerse levensstijl en risico bij terugkeer
De zaak betreft hoger beroep tegen de afwijzing van aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. De vreemdelingen, sub 1 en sub 2, hadden hun aanvragen aanvankelijk afgewezen gekregen, waarna zij beroep instelden bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep van vreemdeling sub 2 gegrond en dat van sub 1 ongegrond. Zowel de minister als vreemdeling sub 1 en sub 2 stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte buiten de grenzen van het geding is getreden door een oordeel te geven over de westerse levensstijl van vreemdeling sub 2, terwijl het hoger beroep zich slechts richtte op de toepassing van de cessation clause van het Vluchtelingenverdrag. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de minister en vreemdeling sub 1 gegrond en dat van vreemdeling sub 2 ongegrond. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
De Raad van State bevestigt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat vreemdeling sub 2 niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij onvoldoende zwaarwegende feiten heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat zij zich niet zou kunnen aanpassen aan de levensstijl in Afghanistan. Ook de belangen van de minderjarige dochter zijn meegewogen. Het beroep van vreemdeling sub 1 op een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wordt eveneens ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister en vreemdeling sub 1 wordt gegrond verklaard, dat van vreemdeling sub 2 ongegrond; het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de beroepen bij de rechtbank worden ongegrond verklaard.