ECLI:NL:RVS:2007:BA2833

Raad van State

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200700064/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • T.M.A. Claessens
  • D. Roemers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel na niet-bijwonen zitting

Appellante had bij besluit van 4 november 2005 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie werd afgewezen. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het daarop ingestelde beroep van appellante op 7 december 2006 ongegrond. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

Appellante klaagde dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek ter zitting van 20 oktober 2006 had gesloten zonder dat haar gemachtigde het woord had kunnen voeren. Zij stelde dat haar gemachtigde zich tijdig bij de balie had gemeld, zodat de rechtbank op de hoogte had moeten zijn van diens aanwezigheid.

De Raad van State stelde vast dat appellante bij eerdere brieven had medegedeeld noch zelf noch haar gemachtigde bij de zitting aanwezig te zullen zijn en verzocht om het beroep op de stukken af te doen. Dit verzoek was niet herroepen. Er was ook geen tijdige en kenbare mededeling gedaan dat de gemachtigde alsnog zou verschijnen. De vermeende misverstanden op de zittingsdag waren voor risico van appellante. De Raad van State oordeelde dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond.

De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd op 6 april 2007 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond wegens niet-naleving van het beginsel van hoor en wederhoor.

Uitspraak

200700064/1.
Datum uitspraak: 6 april 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/53805 van de rechtbank
's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 december 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en geweigerd om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 16 januari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de enige grief klaagt appellante dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep is behandeld ter zitting van 20 oktober 2006 waar appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte het onderzoek ter zitting gesloten zonder haar gemachtigde een toelichting op het beroep te laten geven. Appellante betoogt dat haar gemachtigde zich in verband met de behandeling van het beroep ter zitting tijdig heeft gemeld bij de balie van de rechtbank, zodat het de rechtbank bekend had moeten zijn dat het beroep namens appellante zou worden toegelicht.
2.2. Bij brief van 18 mei 2006 heeft de rechtbank appellante uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter openbare zitting op 28 augustus 2006. Bij brief van 12 juli 2006 met als onderwerp "nadere aanvulling gronden beroep / verzoek afdoening op stukken" heeft appellante nadere beroepsgronden ingediend, aan de rechtbank meegedeeld dat zij noch haar gemachtigde bij de behandeling van het beroep ter zitting aanwezig zal zijn om het woord te voeren en verzocht om het beroep op de stukken af te doen. Bij brief van 8 augustus 2006 heeft de rechtbank appellante meegedeeld dat de behandeling van het beroep ter zitting van 28 augustus 2006 is verdaagd. Vervolgens heeft de rechtbank appellante bij brief van 28 augustus 2006 uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter openbare zitting op 20 oktober 2006. Bij brief van 9 oktober 2006 heeft appellante de beroepsgronden nader aangevuld.
2.3. Bij voormelde brief van 9 oktober 2006 heeft appellante haar eerdere mededeling dat zij noch haar gemachtigde ter zitting aanwezig zal zijn om het woord te voeren en het verzoek om het beroep op de stukken af te doen, niet herroepen. Evenmin is gebleken dat (de gemachtigde van) appellante anderszins kenbaar en tijdig aan de rechtbank heeft meegedeeld voornemens te zijn de zitting op 20 oktober 2006 wel te zullen bijwonen. Onder deze omstandigheden zijn de gestelde misverstanden op de zittingsdag met betrekking tot de melding bij de balie, met als gevolg dat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft geopend en gesloten zonder van de komst van de gemachtigde van appellante in kennis gesteld te zijn, voor risico van (de gemachtigde van) appellante en bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. De grief faalt.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
Voorzitter w.g. Zwinkels
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007
309-553.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak