ECLI:NL:RVS:2007:BA2729
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijkheid ministerieel oordeel over geloofwaardigheid asielrelaas
De minister wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het asielrelaas en het ontbreken van reisdocumenten. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de minister, stellende dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank het toetsingskader niet juist had toegepast. De rechter had zich moeten beperken tot de vraag of de minister zich in redelijkheid op zijn standpunt kon stellen, zonder een eigen oordeel te vormen over de geloofwaardigheid van het relaas. De minister had terecht geoordeeld dat het ontbreken van documenten en de inconsistenties in het relaas een gebrek aan positieve overtuigingskracht veroorzaakten.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het besluit van de minister om de verblijfsvergunning te weigeren, bleef daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waardoor het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning in stand blijft.