ECLI:NL:RVS:2007:BA2724

Raad van State

Datum uitspraak
26 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200608513/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • H. Troostwijk
  • C.J.M. Schuyt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake weigering verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van openbaar orde beleid vóór 2001

Appellant heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend vóór 4 januari 2001. De Staatssecretaris van Justitie heeft deze aanvraag geweigerd en de minister heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte het besluit niet had getoetst aan het beleid dat gold vóór 4 januari 2001, zoals vermeld in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 1996/1. Volgens appellant had de minister een verdergaande belangenafweging moeten maken en de omstandigheden van appellant volledig moeten betrekken bij de toetsing aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het oude beleid inderdaad van toepassing is op aanvragen vóór 4 januari 2001 en dat het aanvaarden van een transactieaanbod ter zake van een misdrijf een grond is om de vergunning te weigeren. Er bestaat echter geen grond voor een belangenafweging die verder gaat dan artikel 4:84 Awb Pro voorschrijft. Het hoger beroep is daarom kennelijk ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

200608513/1.
Datum uitspraak: 26 maart 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/382 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 26 oktober 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie, voor zover thans van belang, geweigerd om appellant ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 28 november 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 oktober 2006, verzonden op 27 oktober 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 11 december 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In zijn enige grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit valt onder de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en aanverwante regelgeving, nu hij de aanvraag vóór 4 januari 2001 heeft ingediend en derhalve het openbare orde beleid, zoals dat gold vóór die datum, van toepassing is. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister op grond van het oude beleid een verdergaande belangenafweging had dienen te maken dan in het besluit van 28 november 2005 is gebeurd, en dat de door hem aangevoerde omstandigheden volledig hadden moeten worden betrokken bij de toetsing aan artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat de minister de belangenafweging onvoldoende kenbaar en onvoldoende gemotiveerd heeft weergegeven in het besluit van 28 november 2005.
2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 mei 2004 in zaak no. 200401206/1, JV 2004/343), is op een beslissing inzake een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw 2000, voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, indien het tijdstip van indienen van de aanvraag van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000, is gelegen vóór 4 januari 2001, het beleid, vermeld in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (hierna: het TBV) 1996/1, van toepassing. Nu appellant de aanvraag vóór 4 januari 2001 heeft ingediend, heeft de rechtbank ten onrechte het besluit van 28 november 2005 niet aan dat beleid getoetst.
2.1.2. In paragraaf 8 van het TBV 1996/1, kort weergegeven en voor zover thans van belang, staat vermeld dat gevaar voor de openbare orde aanleiding is om een vergunning tot verblijf te onthouden, conform het gestelde in paragraaf A4/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (hierna: de Vc 1994).
Volgens paragraaf A4/4.3.2.1 van de Vc 1994, voor zover thans van belang, wordt een aanvaard transactieaanbod aangemerkt als grond om eerste toelating te weigeren. Voor de beoordeling van de verblijfsaanspraken is een individuele belangenafweging gericht op het misdrijf en de beoordeling daarvan, niet nodig. Slechts indien de vreemdeling bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb stelt en aannemelijk maakt, is er reden om af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging. Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid.
Volgens paragraaf B1/2.2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, wordt de aanvraag afgewezen, indien de vreemdeling ter zake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard.
2.1.3. Ook volgens het beleid, zoals dat werd gevoerd vóór 4 januari 2001, zou het aanvaarden van een transactieaanbod ter zake van een misdrijf, grond zijn geweest om een verblijfsvergunning regulier, als waar het hier om gaat, niet te verlenen. Voor het oordeel dat op grond van voormeld beleid een belangenafweging had dienen te worden verricht die verder gaat dan de beoordeling waartoe artikel 4:84 van Pro de Awb noopt, bestaat geen grond. De klacht kan derhalve niet leiden tot het ermee beoogde doel.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop zij berust, te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. De Vink
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2007
154-532.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak