ECLI:NL:RVS:2007:BA2376
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepasselijkheid Algemene termijnenwet op beroepstermijn vreemdelingenbewaring
In deze zaak is het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, behandeld. De vreemdeling was op 10 februari 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld en had tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend.
De kern van het geschil betrof de vraag of de Algemene termijnenwet (Atw) van toepassing is op de beroepstermijn van veertien dagen zoals genoemd in artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De staatssecretaris stelde dat de Atw niet van toepassing is op termijnen van beroep ter zake van vrijheidsbeneming, terwijl de rechtbank dit wel had aangenomen.
De Raad van State oordeelde dat de beroepstermijn in artikel 94, tweede lid, Vw 2000 ziet op een termijn van beroep tegen vrijheidsbeneming, maar niet op de vrijheidsbeneming zelf. Uit de bewoordingen en de geschiedenis van artikel 94 volgt Pro niet dat deze termijn is uitgesloten van de werking van de Atw. Daarom is artikel 1, eerste lid, van de Atw wel van toepassing, waardoor de termijn die op zondag 25 februari 2007 viel, werd verlengd tot maandag 26 februari 2007. De vreemdeling is op die dag tijdig gehoord.
Gelet hierop verklaarde de Afdeling het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond.