ECLI:NL:RVS:2007:BA2259

Raad van State

Datum uitspraak
4 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200604871/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Oosting
  • M.J. van der Zijpp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van subsidie voor milieubesparend project in de automotive-industrie

In deze zaak gaat het om de weigering van een subsidieaanvraag voor het project "PURE milieubesparing in de automotive-industrie". De staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft op 12 december 2005 besloten om de aangevraagde subsidie niet te verlenen. Dit besluit werd later door de staatssecretaris bevestigd in een besluit van 19 mei 2006, waarin het bezwaar van de appellant ongegrond werd verklaard. De appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad van State, waarbij hij zijn beroepsgronden aanvulde in augustus 2006. Tijdens de zitting op 9 maart 2007 werd de zaak behandeld, waarbij de appellant werd vertegenwoordigd door een gemachtigde en de verweerder door ambtenaren van het ministerie.

De subsidie was aangevraagd op basis van de Subsidieregeling milieugerichte technologie, en de aanvraag was gedaan door de appellant in samenwerking met een derde partij. De verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de activiteiten waarvoor de subsidie was aangevraagd, niet of niet geheel zouden plaatsvinden. De appellant betoogde dat hij de activiteiten geheel zelf zou kunnen uitvoeren, maar de Raad van State oordeelde dat de aanvraag gezamenlijk was ingediend en dat de verweerder terecht had geoordeeld dat de subsidie niet kon worden verleend. De Raad van State concludeerde dat de appellant als belanghebbende kon worden aangemerkt, maar dat de weigering van de subsidie op goede gronden was gebaseerd.

De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beslissing van de staatssecretaris. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan in naam der Koningin en openbaar uitgesproken op 4 april 2007.

Uitspraak

200604871/1.
Datum uitspraak: 4 april 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2005 heeft verweerder besloten een voor het project "PURE milieubesparing in de automotive-industrie" aangevraagde subsidie niet te verlenen.
Bij besluit van 19 mei 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn aangevuld bij brief van 28 augustus 2006.
Bij brief van 14 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, ambtenaar van het ministerie, en ir. W.V. Siemers, zijn verschenen. Voorts is als derde belanghebbende verschenen [partij], vertegenwoordigd door mr. C.M. Saris, advocaat te Amsterdam.
2.    Overwegingen
2.1.    De subsidie is gevraagd op grond van de op artikel 15.13 van de Wet milieubeheer gebaseerde Subsidieregeling milieugerichte technologie, voor een project waarbij [partij] in samenwerking met appellant het materiaal "PURE" zou toepassen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, en die afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd, omdat moet worden aangenomen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is gevraagd niet of niet geheel zullen plaatsvinden.
2.2.    Ter zitting is door [partij] gesteld dat appellant geen belanghebbende is, omdat de subsidie niet door appellant maar door [partij] zou zijn aangevraagd.
2.2.1.    De aanvraag is gedaan op een door verweerder verstrekt aanvraagformulier. Dat formulier is namens appellant als 'projectpartner' getekend. Blijkens de op het aanvraagformulier gegeven toelichting moeten projectpartners worden aangemerkt als mede-aanvragers. Gelet hierop moet ook appellant worden beschouwd als aanvrager van de subsidie, en is zijn belang dus rechtstreeks betrokken bij een besluit over deze aanvraag. Verweerder heeft appellant terecht als belanghebbende aangemerkt en zijn bezwaar gelet daarop terecht ontvankelijk geacht.
2.3.    Appellant betoogt in de kern dat de subsidie aan hem had moeten worden verleend, omdat hij de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd geheel zelf zou kunnen uitvoeren.
2.3.1.    De subsidie is aangevraagd voor een door [partij] en appellant gezamenlijk uit te voeren project. In de bij de subsidieaanvraag behorende projectbeschrijving is weergegeven welke werkzaamheden elk van beide partijen zal verrichten. Niet is gebleken dat de aanvragers een gewijzigde projectbeschrijving hebben ingediend waarin is aangegeven hoe de door [partij] te verrichten werkzaamheden zonder zijn deelname zullen worden uitgevoerd.
Verweerder heeft gezien het voorgaande terecht beoordeeld of subsidie kon worden verstrekt voor het in de aanvraag beschreven gezamenlijke project van [partij] en appellant. Nu niet in geschil is dat dit project vanwege een tussen hen ontstaan verschil van mening niet zal worden uitgevoerd op de aangevraagde wijze, heeft verweerder kunnen concluderen dat moet worden aangenomen dat de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd niet zullen plaatsvinden. Dit is ingevolge artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht een grond om subsidieverlening te weigeren.
Gezien het voorgaande geeft het beroep geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de subsidieverlening heeft kunnen weigeren, en die weigering bij het bestreden besluit in stand heeft kunnen laten.
2.4.    Het beroep is ongegrond.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Oosting                                       w.g. Van der Zijpp
Lid van de enkelvoudige kamer                      ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007
262-359.