ECLI:NL:RVS:2007:BA1222
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Schending van het beginsel van hoor en wederhoor bij vreemdelingenbewaring
Appellante was in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 22 juli 2006. De rechtbank ’s Gravenhage verklaarde het beroep tegen het voortduren van de bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af in een uitspraak van 7 februari 2007. Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de rechtbank had aangenomen dat appellante de voortgangsgegevens (M120-formulier) met betrekking tot de uitzetting had ontvangen, terwijl uit de stukken bleek dat deze gegevens niet aan haar gemachtigde waren toegezonden. Hierdoor was het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, wat leidde tot een oneerlijk proces.
Hoewel de wet geen hoger beroep toestaat tegen deze uitspraak, nam de Afdeling toch kennis van het hoger beroep vanwege de fundamentele schending van procesrechten. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling, waarbij ook de proceskosten in verband met het hoger beroep aan de rechtbank worden voorgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de zaak is terugverwezen naar de rechtbank.