ECLI:NL:RVS:2007:BA1212
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat minister terecht mvv-vereiste toepaste en hardheidsclausule niet van toepassing is
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het beroep van een vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gegrond had verklaard. De vreemdeling beschikte niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), hetgeen volgens artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 een reden is voor afwijzing.
De minister stelde dat de vreemdeling niet alle mogelijke stappen had ondernomen om in bezit te komen van reisdocumenten, ondanks dat het paspoort na inbeslagname bij de Vreemdelingendienst in ongerede was geraakt. De rechtbank had dit anders beoordeeld, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat deze omstandigheid niet in de weg staat aan het standpunt van de minister.
Voorts werd geoordeeld dat de weigering om vrijstelling van het mvv-vereiste te verlenen geen schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt, ook niet bij ontwrichting van het gezinsleven, omdat het verblijf in het land van herkomst in beginsel tijdelijk is. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.