ECLI:NL:RVS:2007:BA1203
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Toetsing ongeloofwaardigheid asielrelaas en beoordelingsbevoegdheid minister
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit tot afwijzing van een asielaanvraag vernietigde. De minister had het asielrelaas van de vreemdeling als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege onvoldoende kennis van het christelijk geloof en andere elementen.
De rechtbank stelde echter dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het relaas ongeloofwaardig zou zijn en gaf zelf een eigen beoordeling over de geloofwaardigheid, wat volgens de Raad van State in strijd is met het toetsingskader. Het is immers aan de vreemdeling om zijn relaas aannemelijk te maken en aan de minister om dit te beoordelen.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte een eigen oordeel heeft gegeven en gaat mee in het standpunt van de minister dat het relaas geen positieve overtuigingskracht heeft. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak benadrukt het terughoudende toetsingskader bij geloofwaardigheid en bevestigt dat de minister beoordelingsruimte heeft bij het vaststellen van ongeloofwaardigheid van een asielrelaas. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.