Uitspraak
200204864/1, de daaraan voorafgaande vraag, of deze werkzaamheden strekken ten dienste van de op het perceel rustende bestemming, worden beantwoord.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem verleende op 28 juni 2005 een aanlegvergunning aan het Waterschap Rivierenland voor het creëren van een flauwer profiel van het afwateringskanaal Midden. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde aan dat de werkzaamheden niet strookten met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden (AL)" en dat zijn agrarische belangen onvoldoende waren meegewogen. De Raad van State oordeelde dat de werkzaamheden wel degelijk ten dienste staan van de bestemming en dat het gebruik van de gronden in overeenstemming blijft met het bestemmingsplan. Ook werd geoordeeld dat de landschapswaarden behouden blijven en niet onevenredig worden aangetast.
De Raad van State benadrukte dat het vergunningenstelsel alleen ziet op gronden met de aanduiding "kleinschalig landschap met reliëf" en dat een belangenafweging buiten de in artikel 44 WRO Pro genoemde gronden niet aan de orde is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanlegvergunning wordt bevestigd.