ECLI:NL:RVS:2007:BA1124
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens onvoldoende taalvaardigheid
Appellante verzocht om verlening van het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd door de minister afgewezen op grond van onvoldoende kennis van de Nederlandse taal zoals vereist in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Groningen werd het besluit bevestigd. Appellante stelde dat zij wel een eenvoudig gesprek in het Nederlands kon voeren en dat haar faalangst en inspanningen voor taallessen onvoldoende werden meegewogen.
De Raad van State overwoog dat uit correspondentie en het inburgeringsgesprek bleek dat appellante niet in staat was een eenvoudig gesprek te voeren. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de minister zich niet onredelijk had opgesteld. De inschrijving voor taallessen na het besluit leidde niet tot een andere beoordeling omdat er geen bewijs was van verbetering op dat moment.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het Nederlanderschap bevestigd.