ECLI:NL:RVS:2007:BA0683
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-beoordeling beroepsgrond voortvarendheid uitzetting
Appellante werd op 14 januari 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde zij beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 31 januari 2007 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde appellante dat de rechtbank niet had geoordeeld over haar beroepsgrond betreffende de voortvarendheid waarmee aan haar uitzetting werd gewerkt. Tijdens de mondelinge behandeling had zij namelijk aangevoerd dat zij rechtmatig verblijf in België kon aantonen en dat overdracht naar België snel mogelijk was. De rechtbank had zich echter beperkt tot de rechtmatigheid van de inbewaringstelling en deze beroepsgrond onbesproken gelaten.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank hiermee in strijd handelde met artikel 8:69, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat zij niet op alle beroepsgronden uitspraak had gedaan. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Vervolgens overwoog de Afdeling dat de minister ter zitting had verklaard dat, indien België het aangewezen land is, spoedige uitzetting mogelijk is en dat de korte tijd tussen faxberichten en zitting geen reden gaf voor onvoldoende voortvarendheid.
De Afdeling verklaarde het beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 7 maart 2007 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.