ECLI:NL:RVS:2007:BA0612
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Verlenging verblijfsvergunning studiejaar 2002-2003 afgewezen wegens onvoldoende bewijs middelen van bestaan
De vreemdeling vroeg verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het studiejaar 2002-2003. De minister wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, omdat de minister ten onrechte het niet-inschrijven voor het studiejaar 2003-2004 als grond voor afwijzing had genomen.
De Raad van State oordeelde dat de minister het besluit onvoldoende had gemotiveerd door de inschrijving voor het studiejaar 2003-2004 mee te nemen, terwijl de aanvraag alleen betrekking had op 2002-2003. De Raad bevestigde dat de vreemdeling op het moment van afloop van de vergunning aan de voorwaarden voldeed.
Echter, de Raad stelde ook vast dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikte, zoals vereist op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De stukken die de vreemdeling overlegde waren onvoldoende onderbouwd en konden niet leiden tot een ander oordeel.
De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De minister hoefde geen nader onderzoek te verrichten naar de inkomenspositie van de garantsteller. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning bevestigd.