ECLI:NL:RVS:2007:AZ9706
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geloofwaardigheid asielrelaas en motivering minister in vreemdelingenzaak
De minister van Justitie wees een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel af omdat het asielrelaas van de vreemdeling onvoldoende positieve overtuigingskracht zou bezitten. De vreemdeling stelde dat hij in Afghanistan werd bedreigd door een krijgsheer, maar de minister achtte dit niet aannemelijk vanwege het ontbreken van objectief bewijs en het feit dat de verklaringen vooral op vermoedens en dorpsgenoten berustten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister onzorgvuldig had gemotiveerd en ten onrechte een verklaring van de vreemdeling had genegeerd, waardoor het besluit onvoldoende was onderbouwd. Ook was de minister volgens de voorzieningenrechter onjuist uitgegaan van een onjuiste lezing van de bedreigingen en de timing van het vragen om eigendomspapieren.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en oordeelt dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom bepaalde verklaringen niet geloofwaardig zouden zijn. De Raad benadrukt de terughoudende toetsing van de rechter bij geloofwaardigheidsoordelen van de minister, maar stelt dat de motivering wel aan zorgvuldigheidseisen moet voldoen.
Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard, maar de Raad verbetert de motivering van de uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.