ECLI:NL:RVS:2007:AZ9591
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Uitzetting asielzoeker uit Centraal- en Zuid-Irak met strafrechtelijk antecedent bevestigd
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die de bewaring van een asielzoeker uit Centraal- en Zuid-Irak had opgeheven en de uitzetting opschortte. De asielzoeker was in 1999 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en in 2000 ongewenst verklaard.
De minister voerde aan dat de brief van 27 december 2006 en de motie-De Wit van 20 december 2006 geen categoriale bescherming boden aan asielzoekers met strafrechtelijke antecedenten uit Centraal- en Zuid-Irak. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling zich op deze toezegging kon beroepen en dat er geen zicht op uitzetting was.
De Raad van State bevestigt dat het beleid is dat uitzetting bij strafrechtelijke antecedenten niet achterwege blijft en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waardoor de uitzetting kan worden voortgezet.