200609406/1.
Datum uitspraak: 13 februari 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/58482 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 18 december 2006 in het geding tussen:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
Bij besluit van 23 november 2006 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 december 2006, verzonden op 21 december 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 december 2006, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 9 januari 2007 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Boesjes, advocaat te Oosterhout, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te
's-Gravenhage en mr. M.P. Bouma, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.
2.1. Hetgeen in grief 1 is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.2. In grief 2 klaagt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat de moties van het lid Bos c.s. van 30 november 2006 (TK 2006-2007, 19 637, nr. 1106) en van het lid Dijsselbloem c.s. van 12 december 2006 (TK 2006-2007, 19 637, nr. 1111) niet tot de conclusie kunnen leiden dat geen sprake is van zicht op uitzetting, omdat onduidelijk is of en in hoeverre deze zullen worden uitgevoerd, heeft miskend dat de omstandigheid dat die moties door de Tweede Kamer zijn aangenomen reeds voldoende is en er bovendien aan voorbij is gegaan dat hij behoort tot de in het kabinetsbesluit van 13 december 2006 (TK 2006-2007, 19 637, nr. 1114; hierna: het kabinetsbesluit) bedoelde groep van ex-asielzoekers ten aanzien van wie de uitzettingen door het kabinet zijn opgeschort. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geconcludeerd dat in zijn geval reëel zicht op uitzetting bestaat, aldus appellant.
2.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voormelde moties als zodanig onvoldoende zijn om geen zicht op uitzetting aan te nemen, nu de minister juridisch niet aan die moties is gebonden. Dat is anders ten aanzien van het kabinetsbesluit van 13 december 2006. Nu appellant ter zitting van de rechtbank het ontbreken van zicht op uitzetting aan de orde heeft gesteld, hij bij brief van 15 december 2006 een beroep op het kabinetsbesluit heeft gedaan, de rechtbank het onderzoek in de zaak toen nog niet had gesloten en appellant zich niet reeds ter zitting van de rechtbank, die plaatsvond op 13 december 2006, op bedoeld kabinetsbesluit heeft kunnen beroepen, heeft de rechtbank niet zonder meer aan dit nadere argument van appellant voorbij kunnen gaan. Grief 2 slaagt.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het beroep van appellant, voor zover daarop na het voorgaande nog moet worden beslist, als volgt.
2.3.1. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister, onder meer, naar voren gebracht dat appellant niet behoort tot de groep ex-asielzoekers voor wie de zogenoemde pas op de plaats geldt, omdat hij niet meer in de opvang zat, geen uitkering meer ontving en zich aan het toezicht had onttrokken. Appellant staat geregistreerd als zijnde met onbekende bestemming vertrokken, aldus de minister. Nu appellant geen andersluidende informatie heeft ingebracht en zijn verklaringen ook overigens geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat hij ten tijde van zijn inbewaringstelling nog wel was opgenomen in het project Terugkeer, moet worden geconcludeerd dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet behoort tot de groep ex-asielzoekers ten aanzien van wie de uitzetting door het kabinet is opgeschort. Van het ontbreken van zicht op uitzetting van appellant als gevolg van het kabinetsbesluit van 13 december 2006 is derhalve geen sprake.
2.4. De Afdeling zal het inleidend beroep ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 18 december 2006 in
zaak no. AWB 06/58482;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. Van de Kolk
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2007
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak