ECLI:NL:RVS:2007:AZ9574
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling zicht op uitzetting ex-asielzoeker na kabinetsbesluit pas op de plaats
Appellant werd op 23 november 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen deze maatregel stelde hij beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die dit beroep op 18 december 2006 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State en voerde aan dat moties van de Tweede Kamer en een kabinetsbesluit van 13 december 2006 tot opschorting van uitzettingen van ex-asielzoekers van toepassing waren op zijn situatie.
De Raad van State oordeelde dat de moties van de Tweede Kamer niet bindend zijn voor de minister en onvoldoende zijn om geen zicht op uitzetting aan te nemen. Het kabinetsbesluit is wel bindend, maar appellant kon niet aannemelijk maken dat hij tot de groep behoorde waarvoor de uitzetting was opgeschort. De minister stelde dat appellant niet meer in opvang verbleef, geen uitkering ontving en zich aan toezicht onttrok, en dat hij als met onbekende bestemming vertrokken stond geregistreerd.
Omdat appellant geen tegenbewijs aanvoerde en zijn verklaringen geen aanknopingspunten boden dat hij nog in het project Terugkeer was opgenomen, concludeerde de Raad dat de minister terecht had geoordeeld dat appellant niet tot de beschermde groep behoorde. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.