ECLI:NL:RVS:2007:AZ8714
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inbewaringstelling vreemdeling en zicht op uitzetting
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage die een inbewaringstelling van een vreemdeling heeft opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting.
De Raad van State overweegt dat bij een opvolgende inbewaringstelling niet alleen moet worden vastgesteld of zicht op uitzetting thans wel bestaat, maar ook of er concrete aanknopingspunten zijn die een onderzoek naar feiten en omstandigheden rechtvaardigen. Dit volgt uit eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak.
In deze zaak heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen feiten of omstandigheden waren die zicht op uitzetting rechtvaardigden. De Raad van State stelt vast dat de rechtbank niet heeft onderzocht of er concrete aanknopingspunten waren voor nader onderzoek, maar oordeelt dat de door de minister genoemde aanwijzingen daarvoor niet toereikend zijn.
De klacht van de minister faalt en het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, inclusief de toekenning van proceskostenvergoeding aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.