ECLI:NL:RVS:2007:AZ8482

Raad van State

Datum uitspraak
14 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200605600/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag toevoeging rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem. De aanvraag werd op 23 september 2005 afgewezen, waarna appellante bezwaar maakte. Dit bezwaar werd op 24 januari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde op 3 juli 2006 het beroep van appellante niet-ontvankelijk, omdat zij geen bezwaar had gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State, waar de zaak op 22 januari 2007 werd behandeld. Tijdens de zitting was appellante zelf aanwezig, terwijl de Raad werd vertegenwoordigd door mr. I.E.J. Weideveld-Buitenhuis.

De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het bezwaar niet door appellante zelf was ingediend, maar door haar advocaat. De bewoordingen in het bezwaarschrift gaven aan dat alleen de advocaat handelde. Appellante's beroep op artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd ook afgewezen, omdat er geen sprake was van schending van een vormvoorschrift dat de ontvankelijkheid van het beroep zou beïnvloeden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan in naam der Koningin en is openbaar uitgesproken op 14 februari 2007.

Uitspraak

200605600/1.
Datum uitspraak: 14 februari 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/979 van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de raad voor rechtsbijstand Arnhem.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand Arnhem (hierna: de raad) de aanvraag van appellante om een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 24 januari 2006 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 13 september 2006 heeft de raad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2007, waar appellante in persoon en de raad, vertegenwoordigd door mr. I.E.J. Weideveld-Buitenhuis, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) eraan in de weg staat dat haar beroep bij de rechtbank wordt ontvangen, nu appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 september 2005. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is geschreven en ondertekend door de advocaat van appellante. Gelet op de bewoordingen "met deze afwijzing kan ik mij niet verenigen" in het bezwaarschrift heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat alleen de advocaat van appellante voor zichzelf bij de raad een bezwaarschrift heeft ingediend. Anders dan appellante betoogt kan het feit dat zij in haar beroepschrift het bezwaarschrift heeft beschreven als "mijn bezwaar", daarin geen verandering brengen.
2.2.    Voorts beroept appellante zich tevergeefs op het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb. Ingevolge dit artikel is de bestuursrechter bevoegd een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingediend, ondanks schending van een vormvoorschrift, in stand te laten, indien blijkt dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Van schending van zo een voorschrift is in dit geval evenwel geen sprake. Het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb ziet immers niet op de procedure van totstandkoming van een besluit of de wijze waarop het moet worden genomen of vastgelegd door het bestuursorgaan.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Aan behandeling van de beroepsgronden van appellante die zijn gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag om een toevoeging om rechtsbijstand komt de Afdeling niet toe.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena                              w.g. Van Meurs-Heuvel
Lid van de enkelvoudige kamer            ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007
47-515.
200605600/1.
Datum uitspraak: 14 februari 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/979 van de rechtbank Arnhem van 3 juli 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de raad voor rechtsbijstand Arnhem.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2005 heeft de raad voor rechtsbijstand Arnhem (hierna: de raad) de aanvraag van appellante om een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 24 januari 2006 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 13 september 2006 heeft de raad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2007, waar appellante in persoon en de raad, vertegenwoordigd door mr. I.E.J. Weideveld-Buitenhuis, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) eraan in de weg staat dat haar beroep bij de rechtbank wordt ontvangen, nu appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 september 2005. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is geschreven en ondertekend door de advocaat van appellante. Gelet op de bewoordingen "met deze afwijzing kan ik mij niet verenigen" in het bezwaarschrift heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat alleen de advocaat van appellante voor zichzelf bij de raad een bezwaarschrift heeft ingediend. Anders dan appellante betoogt kan het feit dat zij in haar beroepschrift het bezwaarschrift heeft beschreven als "mijn bezwaar", daarin geen verandering brengen.
2.2.    Voorts beroept appellante zich tevergeefs op het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb. Ingevolge dit artikel is de bestuursrechter bevoegd een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingediend, ondanks schending van een vormvoorschrift, in stand te laten, indien blijkt dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Van schending van zo een voorschrift is in dit geval evenwel geen sprake. Het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb ziet immers niet op de procedure van totstandkoming van een besluit of de wijze waarop het moet worden genomen of vastgelegd door het bestuursorgaan.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Aan behandeling van de beroepsgronden van appellante die zijn gericht tegen de afwijzing van haar aanvraag om een toevoeging om rechtsbijstand komt de Afdeling niet toe.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena                              w.g. Van Meurs-Heuvel
Lid van de enkelvoudige kamer            ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007
47-515.