ECLI:NL:RVS:2007:AZ7992

Raad van State

Datum uitspraak
31 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200700427/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • L.J. Können
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak.

De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De vreemdeling voerde aan dat het verzoekschrift van de minister niet-ontvankelijk zou zijn vanwege een kennelijke verschrijving in de lastgeving, maar dit betoog werd verworpen omdat de lastgeving wel degelijk namens de Minister van Justitie was gegeven.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het niet uitgesloten is dat de uitspraak in hoger beroep in stand blijft en dat er geen bijzondere belangen zijn die een spoedige uitvoering van de bestreden uitspraak vereisen. Daarom werd bepaald dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat op het hoger beroep is beslist. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De minister hoeft geen nieuw besluit te nemen voordat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

200700427/2.
Datum uitspraak: 31 januari 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de Minister van Justitie,
verzoeker,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/20079 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 18 december 2006 in het geding tussen:
[vreemdeling],
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 18 december 2006, verzonden op 19 december 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 januari 2007, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 23 januari 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van de vreemdeling dat het verzoekschrift van de minister niet-ontvankelijk is, omdat hierin is vermeld dat de indiener schriftelijk wordt gelast om namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie hoger beroep in te stellen, maar dat deze niet langer bevoegd is op te treden in vreemdelingenzaken, kan niet slagen. Uit de schriftelijke lastgeving blijkt dat deze is gegeven en ondertekend namens de Minister van Justitie. De vermelding van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dient als een kennelijke verschrijving te worden aangemerkt.
2.2. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat verzoeker in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep aan de aldus bestreden uitspraak geen gevolg hoeft te geven.
2.3. Niet valt op voorhand uit te sluiten dat de uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De uitspraak op dat hoger beroep zal op korte termijn worden gedaan. Onder die omstandigheden en nu niet is gebleken van bijzondere belangen die er in dit geval toe nopen dat aan de aangevallen uitspraak gevolg wordt gegeven voordat op het hoger beroep is beslist, ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de Minister van Justitie geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk
Voorzitter w.g. Können
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007
301-532.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak