ECLI:NL:RVS:2007:AZ7990
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hernieuwde vreemdelingenbewaring na eerdere opheffing zonder zicht op uitzetting
Appellant werd op 1 december 2006 opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's Gravenhage verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellant voerde onder meer aan dat de rechtbank onvoldoende had onderzocht of er nu wel zicht op uitzetting bestond, terwijl eerder de bewaring was opgeheven wegens gebrek aan dat zicht. De Raad van State overwoog dat bij een hernieuwde inbewaringstelling na opheffing wegens geen zicht op uitzetting, de rechtbank moet onderzoeken of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die dat zicht nu wel aannemelijk maken.
Echter, gezien het tijdsverloop van ruim twee jaar tussen de eerdere opheffing en de nieuwe maatregel, en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, was er geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek. De grief van appellant faalde en het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.