ECLI:NL:RVS:2007:AZ7882

Raad van State

Datum uitspraak
22 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200605786/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • T.M.A. Claessens
  • C.J.M. Schuyt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 IVESCRArt. 13 IVESCRArt. 15 IVESCRArt. 93 GrondwetArt. 94 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van uitspraak over niet-rechtstreekse werking artikelen IVESCR in vreemdelingenrecht

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage die zijn beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning ongegrond verklaarde.

Appellant voerde aan dat de artikelen 6, 13 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) directe werking hebben en dat het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 hiermee in strijd is. De rechtbank oordeelde dat deze artikelen geen eenieder verbindende bepalingen zijn zoals bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, omdat zij slechts verplichtingen opleggen aan verdragsluitende staten en zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing.

De Raad van State bevestigt dit oordeel en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt met verbeterde motivering bekrachtigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak benadrukt de beperkte directe werking van internationale verdragsbepalingen in het Nederlandse bestuursrecht, met name in het vreemdelingenrecht, en bevestigt de rechtspraak dat het IVESCR geen directe rechten aan individuen verleent die door Nederlandse bestuursorganen kunnen worden ingeroepen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200605786/1.
Datum uitspraak: 22 januari 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/30980 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 19 juli 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 28 juni 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 21 augustus 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 2 en 3 klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de artikelen 13 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (hierna: IVESCR) geen eenieder verbindende bepalingen bevatten en derhalve geen rechtstreekse werking hebben.
2.1.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de artikelen 13 en 15 van het IVESCR niet een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet zijn, nu deze slechts verplichtingen opleggen aan de verdragsluitende staten en zich gezien de bewoordingen, aard en strekking niet lenen voor rechtstreekse toepassing.
De grieven 2 en 3 falen.
2.2. In de grieven 1 en 4 klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat het toepasselijke beleid dat is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 in strijd is met artikel 6 van Pro het IVESCR. In een bezwaarschrift van 8 juli 2005 van zijn moeder, dat is gevoegd bij zijn beroepschrift van dezelfde datum en daarin is ingelast, is gewezen op artikel 6 van Pro het IVESCR, aldus appellant.
2.2.1. Uit de uitdrukkelijke verwijzing in het aanvullend beroepschrift van appellant naar het bijgevoegde bezwaarschrift van zijn moeder van 8 juli 2005, alsmede uit het proces verbaal van het verhandelde ter zitting, blijkt, anders dan de minister betoogt, dat het beroep van appellant zich uitstrekte tot artikel 6 van Pro het IVESCR. De klacht is derhalve terecht voorgedragen. Zij kan evenwel niet tot het beoogde doel leiden. Artikel 6 van Pro het IVESCR leent zich, gezien haar bewoordingen en aard en strekking evenmin voor rechtstreekse toepassing en is derhalve ook niet een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
De grieven 1 en 4 falen.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van de gronden waarop deze rust te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter w.g. Van Gemert
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2007
301-532.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak