ECLI:NL:RVS:2007:AZ7882
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitspraak over niet-rechtstreekse werking artikelen IVESCR in vreemdelingenrecht
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage die zijn beroep tegen de weigering van een verblijfsvergunning ongegrond verklaarde.
Appellant voerde aan dat de artikelen 6, 13 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) directe werking hebben en dat het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 hiermee in strijd is. De rechtbank oordeelde dat deze artikelen geen eenieder verbindende bepalingen zijn zoals bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, omdat zij slechts verplichtingen opleggen aan verdragsluitende staten en zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt met verbeterde motivering bekrachtigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak benadrukt de beperkte directe werking van internationale verdragsbepalingen in het Nederlandse bestuursrecht, met name in het vreemdelingenrecht, en bevestigt de rechtspraak dat het IVESCR geen directe rechten aan individuen verleent die door Nederlandse bestuursorganen kunnen worden ingeroepen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.