Uitspraak
200205257/1, heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd.
200205257/1, overwogen dat het advies van de gemeentelijke Commissie voor de Welstand en Monumenten (hierna: de Monumentencommissie) van
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 11 september 2000 een monumentenvergunning voor het vergroten van de begane grond van een gebouw in Amsterdam. De eigenaar van een nabijgelegen pand maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard maar later ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam vernietigde echter het besluit op bezwaar wegens onvoldoende motivering, een uitspraak die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd bevestigd.
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum stelde vervolgens het bezwaar opnieuw ongegrond, waarbij het advies van de Monumentencommissie en de Bezwaarschriftencommissie werd betrokken. De rechtbank vernietigde ook dit besluit wegens strijd met de Awb. Het dagelijks bestuur stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het advies van de Monumentencommissie voldoende inzicht gaf in de motivering, ondanks het negatieve advies van de Rijksdienst voor Monumentenzorg, en dat de Bezwaarschriftencommissie geen eigen inhoudelijk oordeel gaf maar het advies van de Monumentencommissie ondersteunde. Hierdoor was het besluit op bezwaar van 31 augustus 2004 zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op bezwaar inzake de monumentenvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.