ECLI:NL:RVS:2006:AZ5991
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende nieuwe feiten
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen. De voorzieningenrechter had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht aan de minister om opnieuw te beslissen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij na haar eerdere asielprocedure was teruggekeerd naar Armenië, wat een vereiste is om een nieuw feitencomplex aan te voeren dat een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt.
Daarnaast bleek uit de medische verklaring dat de vreemdeling leed aan hypothyreoïdie, maar dit was geen ziekte in een vergevorderd en levensbedreigend stadium die een schending van artikel 3 EVRM Pro bij uitzetting zou kunnen rechtvaardigen.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.