ECLI:NL:RVS:2006:AZ5982
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- J.J. Schuurman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens hoger beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bij de Raad van State hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Tegelijkertijd verzocht hij om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij gedurende de behandeling van het hoger beroep zou worden uitgezet.
De Raad van State overweegt dat het feit dat het besluit van 30 maart 2005 voor uitvoering vatbaar is, niet leidt tot een spoedeisend belang zoals bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Ook de door verzoeker aangevoerde omstandigheden dat hem is medegedeeld dat hij waarschijnlijk op korte termijn ongewenst zal worden verklaard en dat een daartoe strekkende beschikking binnen afzienbare tijd zal worden uitgevaardigd, zijn onvoldoende omdat een dergelijke beschikking nog niet is genomen.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 december 2006.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens het hoger beroep wordt afgewezen.