ECLI:NL:RVS:2006:AZ4609
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning op grond van vreemdelingenwet
De minister wees op 8 april 2005 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling ging hiertegen in beroep bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 21 april 2006 het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat noch uit het ambtsbericht van januari 2005, noch uit dat van augustus 2005 blijkt dat personen met de kenmerken van de vreemdeling een verhoogde kans lopen om bij terugkeer in een ontheemdenkamp te belanden. De vreemdeling had dit ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de vreemdeling vanwege haar Mandingo-behoren en de WBV 2004/43-regeling haar vrees aannemelijk had gemaakt.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er was geen grond voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 december 2006.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt gehandhaafd.