ECLI:NL:RVS:2006:AZ4441
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R.W.L. Loeb
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake toerekening ontbreken reis- en identiteitspapieren bij asielaanvraag
De minister heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen omdat de vreemdeling geen geldige reis- en identiteitspapieren kon overleggen, hetgeen volgens artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) aan hem mocht worden toegerekend.
De voorzieningenrechter had geoordeeld dat de minister dit niet mocht tegenwerpen omdat de identiteit eerder was vastgesteld bij een verblijfsvergunning regulier en omdat de vreemdeling zijn documenten niet langer dan bijna drie jaar had bewaard. De Raad van State oordeelt dat deze overweging onjuist is, omdat de verplichting tot het overleggen van documenten blijft gelden en het ontbreken daarvan aan de vreemdeling kan worden toegerekend.
De Raad van State vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelt vervolgens het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 19 april 2006 en verklaart dit ongegrond, omdat het asielrelaas van de vreemdeling niet geloofwaardig is en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 november 2006.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard wegens toerekening van het ontbreken van reis- en identiteitspapieren.