Uitspraak
200503778/1kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in die zaak de peildatum niet in geschil was en de Afdeling zich daarover dan ook niet heeft uitgelaten.
Raad van State
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap had een subsidiebedrag teruggevorderd van de gemeente Utrecht voor het schooljaar 2001-2002 in het kader van de Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). De minister stelde aanvankelijk een bedrag van ruim €1,1 miljoen vast, later verlaagd tot circa €1,08 miljoen. De gemeente maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister grotendeels ongegrond werd verklaard, waarna de rechtbank Utrecht het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De kern van het geschil betrof de gehanteerde peildatum van 1 februari 2002 voor het vaststellen van het aantal doelgroepkinderen dat aan VVE-programma's deelnam. De minister stelde dat deze datum voldoende was gemotiveerd en passend binnen de regeling, terwijl de rechtbank oordeelde dat deze datum niet in de regeling was opgenomen en onvoldoende was gemotiveerd, waardoor de rechtszekerheid werd geschaad.
De Raad van State oordeelde dat titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet rechtstreeks van toepassing was op deze subsidierelatie, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidde. Het beroep van de minister op de peildatum faalde omdat deze datum niet tijdig en behoorlijk was bekendgemaakt, wat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.