Uitspraak
200409524/1(JB 2005/208) en 9 juni 2005 in zaak no. 200503261/2 opgenomen oordeel dat het Hof van Discipline ingevolge het bepaalde in de artikelen 51 tot en met 54 van de Advocatenwet een onafhankelijk bij wet ingesteld orgaan dat met rechtspraak is belast, als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, is. De omstandigheid dat de artikelen 51 tot en met 54 zijn opgenomen in het hoofdstuk over tuchtrechtspraak terwijl hier, zoals appellant op zichzelf met recht naar voren brengt, van tuchtrechtspraak geen sprake is, brengt hierin geen verandering, nu de beklagprocedure bij het Hof van Discipline ingevolge artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet in dit geval de aangewezen procedure is en de genoemde artikelen gelet op hun bewoordingen een algemene strekking hebben. Het Hof van Discipline is derhalve geen bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop, kan bij het Hof van Discipline geen bezwaar worden gemaakt, noch administratief beroep worden ingesteld tegen een beslissing van de Deken van de Orde van Advocaten als hier aan de orde. Anders dan appellant betoogt is hoofdstuk 8 van de Awb in dit geval niet van toepassing, nu ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Awb tegen beslissingen van het Hof van Discipline - niet zijnde schriftelijke beslissingen van een bestuursorgaan en derhalve geen besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb - geen beroep op grond van die wettelijke bepalingen openstaat. Met artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet, waarin is bepaald dat op de behandeling van het beklag de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb niet van toepassing zijn, wordt dit bevestigd. Hoofdstuk 6 van de Awb bevat immers algemene bepalingen voor onder meer beroep op een administratieve rechter.