ECLI:NL:RVS:2006:AZ4228

Raad van State

Datum uitspraak
23 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200607812/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 37 Wet op de Raad van StateArt. 59 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring

Appellant is op 4 mei 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank ’s Gravenhage, die op 20 oktober 2006 het beroep gegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onderzocht of zij bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep. Uit het dossier blijkt dat het beroep van appellant een beroep is in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel zoals bedoeld in artikel 59 van Pro die wet.

De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten op grond van hoofdstuk 5 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft een andere grondslag voor haar uitspraak gekozen, maar dit wordt als een kennelijke misslag aangemerkt. Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring.

Uitspraak

200607812/1.
Datum uitspraak: 23 november 2006
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/40887 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 20 oktober 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2006 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 20 oktober 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het bedrag van schadevergoeding op nihil gesteld. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 november 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit op grond van hoofdstuk 5 van de Vw 2000.
2.2. In het beroepschrift van appellant van 23 augustus 2006 is het vakje "Betreft eerste beroep" niet aangekruist en zijn de daarop specifiek betrekking hebbende vragen niet ingevuld. Voorts is in het beroepschrift de vraag of reeds eerder beroep is ingesteld bevestigend beantwoord en is het zaaksnummer van de uitspraak op het eerder ingestelde beroep vermeld.
Gelet hierop en de uit het dossier gebleken feiten en omstandigheden, is het door appellant ingestelde beroep een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het in hoofdstuk 5 opgenomen artikel 59.
De uitspraak van de rechtbank is gedaan op dit beroep en is derhalve, ook blijkens de overwegingen daarvan, een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw 2000. Dat de rechtbank een andere grondslag voor haar uitspraak heeft gekozen, dient derhalve als een kennelijke misslag te worden aangemerkt.
Tegen de uitspraak staat dan ook, anders dan bij een uitspraak als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet geen hoger beroep open op de Afdeling. Dat de rechtbank onder de uitspraak heeft vermeld dat bij de Afdeling hoger beroep kan worden ingesteld, maakt dit niet anders.
2.3. De Afdeling is kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en
mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins- de Vin
Voorzitter w.g. Van de Kolk
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006
347-524.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak