ECLI:NL:RVS:2006:AZ4228
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.W.M. Bijloos
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
Appellant is op 4 mei 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank ’s Gravenhage, die op 20 oktober 2006 het beroep gegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onderzocht of zij bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep. Uit het dossier blijkt dat het beroep van appellant een beroep is in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel zoals bedoeld in artikel 59 van Pro die wet.
De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten op grond van hoofdstuk 5 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft een andere grondslag voor haar uitspraak gekozen, maar dit wordt als een kennelijke misslag aangemerkt. Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring.