ECLI:NL:RVS:2006:AZ3257

Raad van State

Datum uitspraak
29 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200604445/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.5.2 APV gemeente Schouwen-Duiveland 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging kapvergunning wegens vervallen vergunningplicht in APV

Het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland verleende op 24 maart 2005 een kapvergunning voor drie kastanjebomen. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellanten gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar en stelde dat appellanten geen belang meer hadden bij de zaak omdat de vergunningplicht was vervallen.

De Raad van State bevestigde deze uitspraak. De vergunningplicht op grond van artikel 4.5.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2003 was komen te vervallen met de inwerkingtreding van de APV 2005. Hierdoor mochten de bomen zonder vergunning worden gekapt.

De Raad van State oordeelde dat appellanten geen belang meer hadden bij hun beroep, omdat zij niet konden bereiken dat de kap werd tegengehouden. Er was ook geen schade gesteld of gebleken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200604445/1.
Datum uitspraak: 29 november 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/789 van de rechtbank Middelburg van 11 mei 2006 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) een kapvergunning verleend voor drie kastanjebomen ter hoogte van de Ankerweg 1a te Burgh-Haamstede.
Bij besluit van 4 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 mei 2006, verzonden op 11 mei 2006, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 24 maart 2005 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 31 juli 2006 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schouwen-Duiveland 2003 is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.
2.2.    Bij besluit van de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland van 30 juni 2005 is de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schouwen-Duiveland 2005 (hierna: de APV) vastgesteld. In de APV is de afdeling met betrekking tot het bewaren van houtopstanden, waaronder het verbod zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen, vervallen.
2.3.    De Afdeling overweegt dat de vergunningplicht op grond van artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schouwen-Duiveland 2003 met de inwerkingtreding van de APV is komen te vervallen. Niet gebleken is dat de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland niet bevoegd was de afdeling met betrekking tot het bewaren van houtopstanden, waaronder het kapverbod, uit de APV te schrappen. Nu de in geding zijnde bomen zonder vergunning mogen worden gekapt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellanten met hun beroep niet meer kunnen bereiken wat hun voor ogen stond, te weten het tegenhouden van de kap van die bomen. Gesteld noch gebleken is dat appellanten schade hebben geleden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat appellanten geen belang meer hadden bij een beoordeling van de zaak ten gronde.
2.4.    Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Voorzitter, en mr. J.G. Treffers en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena           w.g. Bindels
Voorzitter       ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2006
85-505.