ECLI:NL:RVS:2006:AZ2796
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- L.E.M. Wilbers-Taselaar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen ontheffing dempen waterloop
Het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta verleende op 8 februari 2005 een ontheffing aan een vergunninghouder voor het dempen van een waterloop. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd door het dagelijks bestuur op 25 oktober 2005 ongegrond verklaard. Appellante stelde beroep in bij de rechtbank Breda, die het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat het te laat was ingediend. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover de bezwaren ongegrond waren verklaard.
Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bekendmaking van het besluit terecht via toezending aan de aanvrager had plaatsgevonden, waardoor de bezwaartermijn op 25 maart 2005 was geëindigd. De publicatie in de Bredase Bode op 17 april 2005 was geen geldige bekendmaking. Echter, vanwege de in de publicatie opgenomen rechtsmiddelenclausule was sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en diende het bezwaar ontvankelijk te worden verklaard.
De Afdeling bevestigde voorts dat de rechtbank het bezwaar van appellant sub 2 gegrond had verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende feitenonderzoek en motivering. De Afdeling vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring van appellante en gelastte het dagelijks bestuur een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante wordt vernietigd en het waterschap dient een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.