ECLI:NL:RVS:2006:AZ0829

Raad van State

Datum uitspraak
25 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200603162/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • B. van Wagtendonk
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling identiteit en niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen uitblijven beslissing minister

Appellant verzocht de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie om zijn identiteit vast te stellen. Nadat de minister niet op dit verzoek had beslist, maakte appellant bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een beslissing ongegrond en het bezwaar niet-ontvankelijk.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat er geen aanvraag was als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling stelde vast dat het bezwaar wel degelijk tot een besluit leidde waarop beroep mogelijk is, ook als de primaire beslissing ontbreekt.

De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant. Hiermee werd de minister verplicht alsnog te beslissen over het bezwaar.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep gegrond verklaard; het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RAAD VAN STATE
200603162/1.
Datum uitspraak: 25 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/50646 van de rechtbank
's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 7 april 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij brief van 26 april 2005 heeft appellant de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) verzocht zijn identiteit vast te stellen.
Bij brief van 15 september 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek.
Bij brief van 9 november 2005 heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar.
Bij uitspraak van 7 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, (hierna: de rechtbank) dat beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 13 juni 2006 heeft de minister van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. drs. M.J.G. Schroeder, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.J. van Benschop, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake is van een aanvraag, als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en, door het beroep ongegrond te verklaren, heeft miskend dat het indienen van een bezwaarschrift tot een besluit leidt, dat voor beroep vatbaar is, ook als de primaire beslissing dat niet is.
2.1.1. De rechtbank heeft in de brief van 26 april 2005 terecht en op goede gronden geen verzoek om een bepaald, naar inhoud en strekking voldoende geduid, besluit te nemen gezien. Evenzeer terecht heeft zij overwogen dat tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op dat verzoek geen rechtsmiddelen konden worden aangewend.
Door te overwegen dat het bezwaarschrift van 15 september 2005 wegens het niet tijdig beslissen door de minister niet-ontvankelijk is, doch het beroep van appellant ongegrond te verklaren, heeft zij evenwel miskend dat de minister op het door appellant gemaakte bezwaar diende te beslissen en dat het beroep van appellant tegen het uitblijven van zodanige beslissing om die reden gegrond diende te worden verklaard. In zoverre slaagt het betoog.
2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren. Nu de minister met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit kan nemen, dan het bij hem gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de Afdeling aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.
2.3. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 7 april 2006 in zaak no. AWB 05/50646;
III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. verklaart het bezwaar van appellant van 15 september 2005 niet-ontvankelijk;
V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van de bij appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 563,50 (zegge: vijfhonderddrieënzestig euro en vijftig eurocent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant te worden betaald;
VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en € 211,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Ottevanger, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Ottevanger
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006
438.
Verzonden: 25 oktober 2006
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak