ECLI:NL:RVS:2006:AZ0326

Raad van State

Datum uitspraak
12 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200606534/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Boll
  • D. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen nadere eisen lichthinder ledwall Rabobank Helmond

Bij besluit van 15 augustus 2006 stelde het college van burgemeester en wethouders van Helmond nadere eisen aan de ledwall van Rabobank Helmond om lichthinder te voorkomen of te beperken. Deze eisen betroffen het uitschakelen van de ledwall in de nachtperiode of het tonen van een vast, lichtbeperkt beeld, en een regeling die de lichtintensiteit aanpast aan de omgeving.

Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en verzochten om een voorlopige voorziening. Zij stelden dat de ledwall in de nachtperiode altijd uitgeschakeld moest zijn, omdat de gestelde eisen onvoldoende lichthinder zouden voorkomen.

De Voorzitter oordeelde dat de nadere eisen redelijk zijn en dat het tonen van een vast beeld met beperkte lichtintensiteit geen relevante extra lichthinder veroorzaakt. Voor de avondperiode is een verdere opsplitsing mogelijk, en Rabobank Helmond stond open voor nader onderzoek. Gezien de belangen en de spoedige beslissing op bezwaar zag de Voorzitter geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.

Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening tegen de nadere eisen voor de ledwall wordt afgewezen.

Uitspraak

200606534/1.
Datum uitspraak: 12 oktober 2006.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Helmond,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft verweerder nadere eisen, als bedoeld in artikel 5 van Pro het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer (hierna: het Besluit), gesteld met betrekking tot de coöperatie "Coöperatieve Rabobank Helmond U.A." (hierna: Rabobank Helmond) aan de Kerkstraat 33 te Helmond.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.
Bij brief van 4 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 september 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Verzoekers zijn met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
Voorts is als partij gehoord Rabobank Helmond, vertegenwoordigd door T.P.M. van den Berkmortel.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder nadere eisen gesteld teneinde de lichthinder als gevolg van de ledwall, waarop reclameboodschappen worden vertoond en die is geplaatst aan de gevel van het kantoor van de Rabobank Helmond, te voorkomen dan wel te beperken. Deze nadere eisen houden in dat (1) de ledwall in de nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur) is uitgeschakeld of dat uitsluitend een vast beeld, zonder beeldwisselingen wordt vertoond. Het vaste beeld dient zodanig te zijn uitgevoerd dat de lichtuitstraling naar de omgeving wordt beperkt door het toepassen van een geïnverteerd beeld (donkere achtergrond en verlichte beeldinformatie). Voorts dient (2) de ledwall te zijn voorzien van een regeling die, afhankelijk van de lichtintensiteit van de omgeving, de lichtintensiteit van de ledwall regelt, zodanig dat bij een lage lichtintensiteit van de omgeving (bijvoorbeeld in de avond- en nachtperiode) ook de lichtintensiteit van de ledwall minimaal is (tot 2% van de hoogste lichtintensiteit). Deze regeling dient te allen tijde aantoonbaar in werking te zijn.
2.2.    Verzoekers betogen dat de door verweerder gestelde nadere eisen de lichthinder in de avond- en nachtperiode niet voorkomen althans onvoldoende beperken. In dat verband betogen zij dat de ledwall in de nachtperiode altijd uitgeschakeld dient te zijn.
2.3.    Verweerder stelt dat het gebruik maken van een vast beeld in de nachtperiode ten opzichte van andere aanwezige lichtbronnen in de directe omgeving nauwelijks tot een extra toename van de totale verlichting van de omgeving leidt. Wat betreft de avondperiode stelt hij het voorschrijven van een verdergaande nadere eis dan onder 2 niet redelijk te achten, mede gelet op het bedrijfseconomisch belang en het feit dat geen sprake zal zijn van verstoring van nachtrust. Met de onder 2 gestelde nadere eis wordt de hinder voor deze periode naar de mening van verweerder voorkomen dan wel voldoende beperkt.
2.4.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met de bij het bestreden besluit gestelde nadere eisen heeft kunnen volstaan voor zover deze de nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur) betreffen. Wanneer de ledwall is uitgeschakeld treedt er uiteraard geen lichthinder op. Wanneer de ledwall is ingeschakeld zodanig dat er uitsluitend een vast beeld, zonder beeldwisselingen, zichtbaar is, terwijl de lichtuitstraling naar de omgeving wordt beperkt door het toepassen van een geïnverteerd beeld, waarbij de lichtsterkte door de in de nadere eis onder 2 voorziene regulering is beperkt tot 2% van de hoogste lichtintensiteit, dan acht de Voorzitter het aannemelijk dat dientengevolge geen relevante extra toename van de verlichting van de omgeving plaatsvindt en dat de daarvan te duchten lichthinder verwaarloosbaar is. Wat betreft de avondperiode merkt de Voorzitter op dat deze periode (van 19.00 tot 23.00 uur) niet noodzakelijkerwijs als één geheel, zoals verweerder heeft gedaan, behoeft te worden beschouwd. Opdeling van deze periode is mogelijk, zodat bijvoorbeeld reeds op een eerder tijdstip de onder 1 genoemde nadere eis zou kunnen gelden. Ter zitting heeft Rabobank Helmond aangegeven voor het onderzoek van die mogelijkheid open te staan. In het kader van de heroverweging zal verweerder, mede in aanmerking nemend het beperkte effect van de lichtreclame in de latere avondperiode waarin de omgeving minder druk bezocht is, kunnen bezien of aanpassing van de nadere eis in zoverre is aangewezen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ziet de Voorzitter evenwel, gelet op de betrokken belangen en het feit dat, zoals ter zitting is gebleken, binnen afzienbare tijd een beslissing op het bezwaar van verzoekers zal worden genomen, in dit stadium geen aanleiding.
2.5.    Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll    w.g. Van Leeuwen
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2006.
373.