ECLI:NL:RVS:2006:AY9908
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- H. Borstlap
- W. Sorgdrager
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit saneringsplan Ledig Erf Utrecht wegens onvolledige ernst- en urgentiebepaling
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht had op 10 oktober 2005 ingestemd met een saneringsplan voor diverse percelen aan het Ledig Erf te Utrecht. Appellante, eigenaar van een perceel binnen het plangebied, stelde dat het college ten onrechte nagelaten had om voor alle percelen, waaronder het hare, de ernst en urgentie van de bodemverontreiniging vast te stellen zoals vereist volgens de Wet bodembescherming.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college inderdaad niet alle noodzakelijke besluiten had genomen omtrent de ernst en urgentie van de verontreiniging voor alle betrokken percelen. Dit was in strijd met het wettelijke systeem van de Wet bodembescherming, waardoor het bestreden besluit vernietigd moest worden. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven, omdat de ernst en urgentie later alsnog waren vastgesteld bij een besluit van 14 juni 2006 waartegen geen beroep was ingesteld.
Verder behandelde de Afdeling de bezwaren van appellante over de berekeningen van de saneringsduur, ontgravingsdiepte en zettingsrisico's. Deze bezwaren werden niet gegrond verklaard, mede op basis van een deskundigenbericht en het saneringsplan. Tot slot werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wordt vernietigd wegens het ontbreken van een volledige vaststelling van ernst en urgentie van bodemverontreiniging, met in stand blijvende rechtsgevolgen en toekenning van proceskosten aan appellante.