Uitspraak
200005005/1, AB 2003, 306), ook als een verzoek als thans aan de orde wordt afgewezen. In deze zaak kan dit risico er ook uit bestaan, dat uiteindelijk een wat andere vormgeving van het bouwplan moet worden gekozen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel verleende op 15 november 2005 een bouwvergunning voor het oprichten van een woonhuis op een perceel. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van verzoekers gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar. Het college stelde daarop opnieuw een besluit vast waarin de bezwaren opnieuw ongegrond werden verklaard.
Verzoekers verzochten vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 19 juli 2006. De Voorzitter behandelde het verzoek en oordeelde dat het voorlopige karakter van het oordeel betekent dat het niet bindend is voor de bodemprocedure. De Voorzitter zag geen aanleiding om aan te nemen dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niet in stand zal blijven of dat de bouwvergunning onrechtmatig is verleend.
De Voorzitter nam mee dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat de aanbouw als bijgebouw juist is getoetst. De vraag naar de verbindendheid van nadere eisen kon niet in deze voorlopige fase worden beantwoord. Ook achtte de Voorzitter het college redelijk in haar besluitvorming en vond geen sprake van schending van hoor en wederhoor. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen.