Uitspraak
200501056/1(JM 2006/6) geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Raad van State
Bij besluit van 30 mei 2006 verleende het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder een milieuvergunning aan een vergunninghouder voor het oprichten en exploiteren van een pluimveehouderij annex akkerbouwbedrijf. Verzoekers stelden beroep in en verzochten om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter behandelde het verzoek op 18 augustus 2006 en overwoog dat het beroep ontvankelijk is voor zover het ziet op stofhinder en dat de voorlopige voorziening niet bindend is voor de bodemprocedure. Diverse bezwaren van verzoekers, waaronder geluidhinder, stankhinder en stofhinder, werden inhoudelijk beoordeeld. De Voorzitter concludeerde dat de vergunninghouder en verweerder zich binnen de beoordelingsruimte hebben bewogen en dat de berekeningen en voorschriften toereikend zijn.
Ook de overige bezwaren, zoals over locaties van activiteiten en planologische kwesties, boden geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de milieuvergunning voor de pluimveehouderij wordt afgewezen.