ECLI:NL:RVS:2006:AY5867

Raad van State

Datum uitspraak
9 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200509061/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WRO
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering vrijstelling bestemmingsplan voor woonhuis met kennel

Het college van burgemeester en wethouders van Uden heeft op 12 oktober 2004 een weigering uitgesproken voor vrijstelling van het bestemmingsplan om een woonhuis met kennel te bouwen op een perceel in het buitengebied. Deze weigering werd gevolgd door een afwijzing van de bouwvergunning op 1 maart 2005 en het ongegrond verklaren van bezwaren op 26 april 2005. De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond op 26 september 2005.

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de afwijkingsbevoegdheid uit het streekplan 'Brabant in Balans' niet had toegepast. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake was van zeer zwaarwegende feiten of omstandigheden die een afwijking van het provinciale beleid rechtvaardigen. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen, omdat geen toezegging of redelijk vertrouwen was gewekt dat vrijstelling zou worden verleend.

De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft de weigering van vrijstelling en bouwvergunning in stand, omdat het bouwplan niet strookt met het bestemmingsplan en het provinciale beleid.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van vrijstelling en bouwvergunning voor het woonhuis met kennel.

Uitspraak

200509061/1.
Datum uitspraak: 9 augustus 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1600 van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 26 september 2005 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Uden.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het oprichten van een woonhuis met kennel op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 1 maart 2005 heeft het geweigerd appellant ter zake bouwvergunning te verlenen.
Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, de door appellant tegen de besluiten van 12 oktober 2004 en 1 maart 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 september 2005, verzonden op 28 september 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 30 januari 2006 heeft [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door Th.J.I.M. Bouwmans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], bijgestaan door drs. E.A.M.A. de Hoogh, gemachtigde.
2.    Overwegingen
2.1.    Het bouwplan ziet op het oprichten van een dienstwoning met kennel ten behoeve van een hondenfokkerij.
2.2.    Het is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan), zodat vrijstelling daarvan krachtens artikel 19 van Pro de Wet Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vereist is om bouwvergunning te kunnen verlenen. Het college heeft geweigerd zodanige vrijstelling te verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met het provinciale beleid, zoals dat is vermeld in paragraaf 3.4.14 van het streekplan "Brabant in Balans" (hierna: het streekplan). Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan niet met dit beleid strookt.
2.3.    In het streekplan wordt in hoofdstuk 5 vermeld dat het college van gedeputeerde staten (hierna: GS) van een beleidslijn in hoofdstuk 3 van het streekplan kan afwijken, wanneer onverkorte toepassing ervan gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen.
2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank aldus de in hoofdstuk 5 van het streekplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid heeft miskend door, in afwijking van de tekst van het streekplan, te overwegen dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van zeer zwaarwegende feiten en omstandigheden die GS zouden kunnen bewegen om van het streekplan af te wijken niet is gebleken.
Dit betoog faalt. Weliswaar komen de door de rechtbank gebruikte bewoordingen komen niet in de regeling in het streekplan die voorziet in de afwijkingsbevoegdheid voor, doch in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat onverkorte toepassing van de beleidslijn in dit geval geen gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen in evenbedoelde zin.
2.5.    In hetgeen appellant verder heeft aangevoerd heeft de rechtbank voorts evenzeer terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen weigeren. Het beroep dat appellant in dit verband op het vertrouwensbeginsel doet treft geen doel. Dat het college bij brief van 26 april 2004, naar appellant stelt, te kennen had kunnen geven dat het geen medewerking aan het bouwplan zou verlenen kan geen te honoreren vertrouwen opleveren dat vrijstelling ten behoeve van het bouwplan zou worden verleend, althans een voorstel daartoe in procedure zou worden gebracht. Van een toezegging van het college van die strekking is daarmee geen sprake.
Aan de door appellant aangehaalde motie van de raad van 31 maart 2005, waarin het college wordt opgedragen een procedure krachtens artikel 19 van Pro de WRO te starten, kan zulk vertrouwen evenmin worden ontleend, omdat de bevoegdheid om vrijstellingen krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen aan het college toekomt.
Tot slot heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door appellant gestelde bedrijfseconomische belangen onvoldoende zijn voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen weigeren.
2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb    w.g. Klein Nulent
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2006
218-503.